Deze, die, dit en dat kunnen lastig zijn, omdat ze verbonden zijn met de lidwoorden. Demonstratieven (of aanwijzende voornaamwoorden) gebruik je om iets of iemand aan te wijzen. In het Nederlands zijn er vier belangrijke aanwijzende voornaamwoorden.
De-woorden

Deze gebruik je bij de-woorden in het enkelvoud.
Voorbeeld → Deze auto is nieuw.
Die gebruik je ook bij de-woorden, maar om iets verder weg aan te wijzen.
Voorbeeld → Die tafel daar is groot.

Het-woorden

Dit gebruik je bij het-woorden in het enkelvoud.
Voorbeeld → Dit huis is mooi.
Dat gebruik je ook bij het-woorden, maar om iets verder weg aan te wijzen.
Voorbeeld → Dat boek daar is spannend.

Kort samengevat

Deze en dit gebruik je als iets dichtbij is.
Voorbeeld → Deze stoel (de-woord) of Dit boek (het-woord).
Die en dat gebruik je als iets verder weg is.
Voorbeeld → Die stoel daar (de-woord) of Dat boek daar (het-woord).
Laten we oefenen
Wrong shortcode initialized
Wat vond je van deze oefening?
Kort overzicht
De-woorden:
Dichtbij → Deze (deze auto)
Ver weg → Die (die auto)
Het-woorden:
Dichtbij → Dit (dit huis)
Ver weg → Dat (dat huis)
Nog even een paar voorbeelden:
- Deze stoel is comfortabel. (de stoel)
- Die hond daar is schattig. (de hond)
- Dit schilderij is erg mooi. (het schilderij)
- Dat gebouw is oud. (het gebouw)
Regelmatig oefenen met lidwoorden zal je helpen om makkelijker te bepalen wanneer je “deze”, “die”, “dit” of “dat” moet kiezen. Dit kan je doen op mijn pagina Practicing Dutch Grammar.
Veel plezier met oefenen tot volgende week!
Liefs, Renée