In het Nederlands gebruik je vraagwoorden om vragen te stellen. Deze woorden helpen je om meer informatie te krijgen over een onderwerp, zoals wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Hieronder vind je de belangrijkste Nederlandse vraagwoorden en hoe je ze kunt gebruiken.
1. Wie (who)

Wie gebruik je om te vragen naar personen.
Een voorbeeld → Wie is dat? (Who is that?)
2. Wat (what)
Wat gebruik je om te vragen naar dingen of gebeurtenissen.
Een voorbeeld → Wat doe je? (What are you doing?)
3. Waar (where)
Waar gebruik je om te vragen naar een plaats of locatie.
Een voorbeeld → Waar woon je? (Where do you live?)

4. Wanneer (when)
Wanneer gebruik je om te vragen naar tijd.
Een voorbeeld→ Wanneer begint de les? (When does the class start?)
5. Waarom (why)

Waarom gebruik je om te vragen naar een reden of oorzaak.
Een voorbeeld → Waarom ben je te laat? (Why are you late?)
6. Hoe (how)
Hoe gebruik je om te vragen naar de manier waarop iets gebeurt.
Een voorbeeld → Hoe werkt dit? (How does this work?)
7. Welk(e) (which)
Welk/Welke gebruik je om te vragen naar een keuze tussen meerdere opties.
Een voorbeeld → Welke kleur wil je? (Which color do you want?)

8. Hoeveel (how much/many)
Hoeveel gebruik je om te vragen naar een hoeveelheid.
Een voorbeeld → Hoeveel kost dat? (How much does that cost?)
Woordvolgorde bij vragen
Bij het stellen van een vraag in het Nederlands begint de vraag vaak met het vraagwoord. Daarna volgt het werkwoord (de persoonsvorm). Dit is de basisstructuur van een vraagzin:
Vraagwoord + werkwoord + onderwerp + rest van de zin?
Een paar voorbeelden:
- Waar woon je? (vraagwoord – werkwoord – onderwerp)
- Hoe laat begint de film? (vraagwoord – werkwoord – onderwerp)
Laten we oefenen!
Wrong shortcode initialized
Wat vond je van de oefening?
Vergeet niet om regelmatig te oefenen. Heel veel succes en tot volgende week!
Liefs, Renée