In Dutch, modal verbs are often used together with another verb. They help explain what someone can do, must do, or wants to do.
Een paar voorbeelden:
- Mag ik jouw pen lenen?
- Jan moet vandaag notuleren.
- Kunnen we volgende week met het project beginnen?
- Wil je straks een kopje koffie drinken?
- Zal ik volgende week notuleren?
Conjugation Present Tense & Simple Past (imperfectum)
| kunnen | zullen | willen | mogen | moeten | |
| ik | kan / kon | zal / zou | wil / wilde | mag / mocht | moet / moest |
| jij, je, u | kan, kunt / kon | zal, zult / zou | wil / wilde | mag / mocht | moet / moest |
| hij, zij, het | kan / kon | zal / zou | wil / wilde | mag / mocht | moet / moest |
| … jij? | kan / kon | zal / zou | wil / wilde | mag / mocht | moet / moest |
| wij, we | kunnen / konden | zullen / zouden | willen / wilden | mogen / mochten | moeten / moesten |
| jullie | kunnen / konden | zullen / zouden | willen / wilden | mogen / mochten | moeten / moesten |
| zij, ze | kunnen / konden | zullen / zouden | willen / wilden | mogen / mochten | moeten / moesten |